Er moeten aanzienlijk betere loopbaanmogelijkheden komen voor de postdocs aan de Nederlandse universiteiten. Ten bate van henzelf, maar vooral om de kwaliteit van het universitaire onderzoek op peil te houden. Daarover lijken alle betrokkenen het wel eens. Maar over de manier waaróp de perspectieven van postdocs kunnen worden verbeterd, lopen de meningen uiteen.

Zowel de eensgezindheid over het probleem als de verdeeldheid over de oplossing, kwam duidelijk aan het licht op een symposium over onderzoeksbeleid en onderzoeksfinanciering, dat medio mei door het Landelijk Postdoc Platform (LPP) en de universitaire vakbond VAWO in Nijmegen werd gehouden.

Op het symposium kwamen vrijwel alle bij de universiteiten betrokken partijen aan het woord: van postdocs en aio's tot hoogleraren en universitaire docenten, en van vertegenwoordigers van NWO en KNAW tot een ambtenaar van het ministerie van OCenW en een universiteitsbestuurder. Iedereen onderschreef dat het vooruitzicht dat de universiteiten hun postdocs bieden weinig aanlokkelijk is: ze leven in voortdurende onzekerheid over hun toekomst als onderzoeker. Velen zoeken hun heil elders en zo komt de kwaliteit en continuïteit van het onderzoek in gevaar, te meer door de snelle 'vergrijzing' van het huidige vaste personeelsbestand.

Collectief werkloosheidsfonds

Het probleem heeft twee belangrijke oorzaken. Een daarvan lijkt vrij gemakkelijk te verhelpen. De universitaire werkloosheidsregeling legt de WW-lasten ("Werkloosheidswet") voor een ontslagen postdoc volledig bij de laatste werkgever. Naarmate de tijdelijke aanstellingen van postdocs zich opstapelen, neemt het WW-risico dat zij met zich meedragen toe. Dat is een belangrijke reden om juist geen ervaren postdocs aan te stellen, maar liever nieuwkomers die een gering WW-risico opleveren. Een collectief werkloosheidsfonds - zoals VAWO en LPP al hebben voorgesteld - zou dit probleem kunnen ondervangen.

De tweede oorzaak schuilt in de wijze van bekostiging van het universitair onderzoek. Ir. Roelof de Wijkerslooth de Weerdesteyn, voorzitter van het College van Bestuur van de Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN), zei daarover op het symposium: "Onze vaste formatie zit op de eerste geldstroom. Dertig procent van ons budget komt uit de tweede en derde geldstroom en daaruit financieren we de tijdelijke formatie van jonge onderzoekers. De speelruimte is dus sowieso beperkt en bovendien is die tweede- en derdegeldstroomfinanciering nogal onderhevig aan veranderingen. Het is riskant om mensen op zo'n smalle basis vast aan te stellen."

Overigens moet niet alleen het loopbaanperspectief voor onderzoekers verbeteren, stelde De Wijkerslooth, ook hun honorering: 'Je moet als universiteit minstens kunnen concurreren met bijvoorbeeld Unilever Research.'

Scheiding onderzoeks- en onderwijsfinanciering?

Onder anderen George Schramkowski, mede-oprichter en huidig voorzitter van het LPP, bepleitte een scheiding binnen de eerste geldstroom tussen onderzoeks- en onderwijsfinanciering. Op het ogenblik wordt de omvang van de eerstegeldstroomfinanciering vrijwel uitsluitend bepaald door de studentenaantallen. Schramkowski: "Daardoor zijn vooral kleine onderzoeken in de alfa- en gammavakken voortdurend in gevaar. Maar het probleem doet zich ook al voor in de bètahoek, zoals bij wiskunde."

Schramkowski benadrukte dat een ontkoppeling van onderzoeks- en onderwijsfinanciering niet impliceert dat gecombineerde functies verdwijnen, maar alleen dat je separaat met beide componenten om kunt gaan. De onderzoeks-financiering zou zijns inziens moeten plaatsvinden op basis van een 'brede' kwaliteitsmeting, bijvoorbeeld volgens het Britse model van de Research Assessment Exercise (RAE).

Dat idee ontmoette weerstand van verscheidene sprekers. Dr. Cornelis van Bochove, directeur Onderzoek en Wetenschapsbeleid van het ministerie van OCenW: 'De RAE is een veel te zware bureaucratische ingreep en leidt tot een kwaliteitsverhoging die op een gegeven moment is uitgewerkt en die wij in Nederland al lang hebben bereikt.' KNAW-vertegenwoordiger Chris Moen: 'Universiteiten moeten zelf hun strategie kunnen bepalen. Buitenstaanders moeten zich daar niet in mengen. Dat gebeurt bij de RAE wel.'.

Meer geld of beter verdelen?

Zou er wellicht geld moeten worden overgeheveld van de tweede geldstroom, i.c. NWO, naar de eerste, teneinde de universiteiten een bredere basis te verschaffen om onderzoekers vast aan te kunnen stellen? 'Nee', reageerde De Wijkerslooth, 'de universiteiten concurreren, NWO zorgt juist voor de samenhang in het onderzoek in Nederland.'

Procedures vereenvoudigen

Kees de Lange, hoogleraar scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam en VAWO-bestuurder pleitte voor eenvoudigere procedures: 'Het Nederlands onderzoek glijdt internationaal af door te lage investeringen. Als er weinig geld is, moet je de procedures juist vereenvoudigen en niet nog ingewikkelder maken. Er zijn al eindeloos veel potjes bij NWO en andere instanties, en er komen er elk jaar meer. De kans om uit zo'n potje geld te krijgen is soms maar tien procent. Zo wordt er heel veel tijd verspild aan het maken van onderzoeksvoorstellen die nauwelijks kans maken. Bovendien moeten al die voorstellen worden beoordeeld, wat tot een grote referee-moeheid leidt. Laten we alsjeblieft onderzoekers niet door nog meer hoepeltjes laten springen.'

Onderfinanciering?

"Onderfinanciering is een verhaal dat behoort tot een klaagcultuur, waar we vanaf moeten" meende van Bochove. 'In percentage van het Bruto Nationaal Product is de eerste geldstroom in Nederland de hoogste van het noordelijk halfrond. Met andere financiering erbij behoort het niveau niet meer tot de hoogste ter wereld, maar het is nog altijd heel behoorlijk: iets boven het midden in de EU. Ik pleit dus voor een offensievere benadering. Je moet zeggen: onderzoek en kennis zijn zo essentieel en de concurrentie met andere sectoren op de arbeidsmarkt is zo hevig, dat je meer geld nodig hebt om bij te blijven. Niet omdat je zo weinig zou hebben, maar omdat je met hoge ambities in een exploderende kennissamenleving zit.'

'We moeten staande houden dat de investeringen onvoldoende zijn', meende evenwel Diederik Zijderveld van NWO. 'Voordat je gaat praten over de verdeling van het geld, moet je dát vaststellen. Anders gaat er een schaamlapdiscussie de sector in en die sector laat zich dan ook nog verleiden om zich serieus te roeren. Maar het verdelen van schaarste levert altijd pijn op. Bij de formatie van het nieuwe kabinet moet overeind blijven dat er meer geld in het systeem moet. Daarná wordt de verdeling interessant.'

Arie van Dalen is eindredacteur van het VAWO-tijdschrift 'VAWO Visie'.