Jonge wetenschappers beschikken in onvoldoende mate over de vaardigheden die nodig zijn om te slagen in een baan buiten de universiteit. Zij moeten daarom gericht werken aan het verwerven van die vaardigheden. Daarmee verhogen zij trouwens niet alleen hun kans op een baan buiten de universiteit. Diezelfde vaardigheden komen ook van pas als zij doorgaan in de wetenschap.

Dat is de belangrijkste aanbeveling uit het rapport 'Jonge wetenschappers: competent talent?!' dat vorige maand verscheen. De aanleiding voor het onderzoek waarvan in het rapport verslag wordt gedaan is de constatering dat er jong wetenschappelijk talent voor de universiteit verloren gaat. Steeds minder jonge academici kiezen voor een wetenschappelijke loopbaan, en een deel van hen haakt ook nog eens voortijdig af. Mogelijkheden om door te stromen naar andere wetenschappelijke functies zijn er nauwelijks en de aansluiting op de arbeidsmarkt buiten de universiteit verloopt niet altijd soepel.

In het rapport wordt vooral belicht welke rol competenties, oftewel gedragsvaardigheden, spelen in de loopbaan van jonge wetenschappers. Beschikken zij over de competenties die vereist zijn om succes te boeken in een loopbaan? Dat was simpel gezegd de vraag waarmee onderzoekster Nicolet Jansen, medewerker van de afdeling mobiliteit en opleiding van de Universiteit Leiden, aan het werk ging. Ten dele, zo blijkt heel kort samengevat het antwoord te luiden.

BOVENGEMIDDELD

Voor de eerste stap in haar onderzoek onderwierp Jansen 74 wetenschappers tussen de 25 en 35 jaar oud aan een assessment waarin hun competenties getest werden. De 74, met name aio's en postdocs, waren afkomstig van de universiteiten van Leiden en Delft, maar Jansen gaat ervan uit dat de uitkomsten van de assessments een goed beeld geven van alle jonge wetenschappers in Nederland.

Dat beeld is zeker niet treurigstemmend. In vergelijking met de gemiddelde hoger opgeleide scoorden de jonge wetenschappers hoog op alle 25 competenties die getest werden. Niet zo verrassend blijken de jonge wetenschappers vooral een bovengemiddelde nieuwsgierigheid en leervermogen te hebben, en ook op inlevingsvermogen en prestatiegerichtheid scoren zij hoog. Tot 'samenbindend leiderschap' en het vormen van een eigen oordeel blijken zij echter minder goed in staat.

Opvallend genoeg bestaan er nogal wat verschillen te tussen de wetenschappelijke disciplines...

Wetenschappers uit de gamma-vakken scoren op alle competenties uit de test lager dan hun alfa- en bèta-collega's, behalve op stressbestendigheid. De bèta's springen er met name gunstig uit als het gaat om schriftelijke en mondelinge uitdrukkingsvaardigheden; zij kunnen zich ook beter presenteren.

 

LACUNES

Maar wat hebben jonge wetenschappers precies aan deze competenties? Zijn dat wel de competenties die zij nodig hebben voor een volgende stap in hun carrière, binnen of buiten de wetenschap? Voor die vraag ging Jansen te rade bij organisaties en bedrijven waar die vervolgfuncties te vinden zijn. Aan hen vroeg zij wat de belangrijkste competenties voor elk van die functies zijn.

Opvallende uitkomst: hoezeer de functies ook verschillen (van automatiseringsadviseur tot stedenbouwkundige, van onderzoeker tot advocaat), de vereiste competenties komen in grote lijnen overeen. Alom wordt onderstreept dat mensen in zulke functies moeten kunnen luisteren, klantgericht moeten zijn, overtuigingskracht moeten hebben en een probleem moeten kunnen analyseren.

Hoezeer de functies ook verschillen, de vereiste competenties komen in grote lijnen overeen. Naast het kunnen analyseren van problemen, vereisen de meeste functies competenties als

  • kunnen luisteren

  • klantgericht denken en werken

  • overtuigingskracht ontwikkelen

  • zelfvertrouwen tonen en

  • initiatief nemen

Hebben jonge wetenschappers deze competenties? De organisaties en bedrijven waar Jansen interviews hield, zijn daar niet zo zeker van. Natuurlijk, jonge wetenschappers hebben in vergelijking met pas afgestudeerden hun analytische vermogens verdiept. Maar tegelijkertijd worden zij nogal eens als 'te kritisch', 'te solistisch' en 'te weinig pragmatisch' beschouwd. Universiteiten worden sowieso vaak gezien als stoffige en inefficiënte organisaties; ook dat komt het imago van de jonge wetenschappers bij werkgevers buiten de universiteit niet ten goede. Al met al hebben veel organisaties geen voorkeur voor pas gepromoveerden boven pas afgestudeerden, zelfs niet als het om researchorganisaties gaat.

Ook Jansen zelf legde het lijstje door werkgevers vereiste competenties naast de scores van de jonge wetenschappers. En ook zij constateerde dat er een aantal lacunes zichtbaar zijn in de competenties van de wetenschappers. Wil een jonge wetenschapper bijvoorbeeld aan de slag kunnen in een adviesfunctie (zoals advocaat of P&O-adviseur), dan zal hij klantgerichtheid en overtuigingskracht moeten ontwikkelen en moeten leren zijn analytische vermogens in te zetten om tot een besluit te komen. Dat zijn namelijk competenties waarop hij tot nu toe niet geweldig scoort. Zelfs als hij verder wil in een wetenschappelijke functie sluiten zijn competenties niet naadloos aan op wat gevraagd wordt: hij moet volgens Jansen in elk geval 'meer zelfvertrouwen en meer initiatief tonen'.

 

OPLEIDINGSPLAN

Hoewel jonge wetenschappers op basis van hun competenties voor de ene functie meer geschikt zijn dan voor de andere, zo luidt een conclusie van het onderzoek, komen de 'ontwikkelpunten' grotendeels overeen. Jansen somt op: hoe dan ook hebben jonge wetenschappers er baat bij als ze hun eigen en andermans werk beter kunnen organiseren, besluitvaardiger worden, meer overtuigingskracht en klantgerichtheid ontwikkelen en beter tegen stress kunnen.

Inzicht in de eigen vaardigheden zou al heel wat helpen, stelt Jansen "Er lijkt binnen de universiteiten echter geen cultuur te bestaan om vaardigheden te benoemen of te expliciteren", schrijft zij. "Daardoor weten jonge wetenschappers vaak ook niet goed wat ze te bieden hebben, zowel voor hun huidige werk als voor een vervolgfunctie binnen of buiten de universiteit." Niet voor niets is een aantal deelnemers aan de assessments inmiddels bezig met een individueel loopbaanadviestraject.

Volgens Jansen valt er veel te winnen als de universiteiten werk zouden maken van de ontwikkeling van competenties. "Stimuleer de ontwikkeling van algemene vaardigheden aan de hand van een opleidingsplan voor promovendi", aldus Jansens eerste en belangrijkste aanbeveling. "Voor postdocs kan een selectie worden gemaakt van de relevante vaardigheden om (verder) te ontwikkelen."

Aan het slot van het rapport geeft Jansen een voorbeeld van zo'n opleidingsplan. Allereerst kunnen daarvan een cursus timemanagement en een assessment van sterke en zwakke punten deel uitmaken. Om jonge wetenschappers te leren gevoel te krijgen voor organisatieprocessen is het vervolgens nodig hen bij faculteit of instituut te betrekken. Ten slotte horen cursussen projectmanagement en adviesvaardigheden erbij. Dit alles zou in een combinatie van groepscursussen en coaching on the job moeten worden aangepakt, aangevuld met intervisiegroepen van jonge wetenschappers zelf.