Het aantal vrouwen in de wetenschap was klein, is klein en zal--zo valt te vrezen--nog tijden klein blijven. Al jaren wordt de ene na de andere maatregel bedacht om vrouwen hogerop te krijgen in de wetenschappelijke rangen. Maar wat het best lijkt te werken, is toch gewoon: geld. "Geld is een taal die men verstaat."

Het gaat nog steeds in tergend traag. De laatst beschikbare cijfers geven de stand van zaken van eind 2001 weer, en op dat moment was 28,3 procent van het wetenschappelijk personeel aan de universiteiten vrouw. Dat was om precies te zijn 0,7 procentpunt meer dan een jaar eerder. Als de stijging van het aantal vrouwen in dit tempo doorgaat, is evenredigheid nog ver weg. Ook de verdeling binnen de rangen van het wetenschappelijk personeel verandert nauwelijks. Hoe hoger de rang, hoe kleiner het aandeel van vrouwen. En vreemd genoeg neemt volgens de cijfers over 2001 het percentage vrouwelijke aio's zelfs af.

Tabel 1     Percentage vrouwelijk wetenschappelijk personeel per functie

 Positie

31-12-00

31-12-01

Aio

43,0%

40,5%

Overig wetenschappelijk personeel

32,8%

33,9%

Universitair docent

22,4%

22,6%

Universitair hoofddocent

10,7%

11,2%

Hoogleraar

6,3%

7,1%

Gemiddelde

27,6%

28,3%

Bron: WOPI 2001 en 2002.

Bottleneck

Er is van alles geprobeerd om het aantal vrouwen in de hogere wetenschappelijke rangen omhoog te krijgen. Maar wat werkt nu echt? Margo Brouns, projectleider Gender en Wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen, onderscheidt drie soorten maatregelen. "Je moet er allereerst voor zorgen dat vrouwen de competitie met mannen kunnen aangaan en die ook kunnen winnen. Dat kan door goede coaching, door vrouwen te begeleiden bij het bepalen van wat ze willen en hoe ze daar kunnen komen, door de gaten in hun cv op te sporen en te dichten." Een voorbeeld is het Onderzoeksatelier van de Universiteit Maastricht, waar vrouwen hun aanvragen voor onderzoekssubsidies onder de loep laten nemen door experts. Dat blijkt te werken.

Een tweede methode is om voortdurend aandacht voor de positie van vrouwen te vragen in de 'gewone' processen van de universiteit, aldus Brouns. Visitatiecommissies moeten er altijd op letten, protocollen voor benoemingen moeten er aandacht aan besteden enzovoorts. "En dan steeds maar de discussie blijven aangaan."

Maar de meest werkzame methode is toch gewoon: geld beschikbaar stellen. "Geld is een taal die men verstaat", zegt Brouns. Op landelijk niveau is dat inderdaad gebleken. Met geld van het ministerie van Onderwijs heeft NWO * in 2000 het Aspasia-fonds opgezet. Universiteiten konden een vergoeding uit dat fonds krijgen als ze een vrouw bevorderden van ud tot uhd, onder voorwaarde dat ze er zelf ook geld voor vrij maakten. Juist in die overgang naar uhd lijkt namelijk de bottle neck in de carrières van vrouwen te zitten. De hoop is daarom dat vrouwen die dankzij Aspasia die hindernis nemen, straks ook hoogleraar kunnen worden.

Aspasia lijkt een succes. Dankzij het fonds zijn in twee ronden zeventig vrouwen met NWO-steun uhd geworden. Het effect is zelfs nog groter. Sommige aanvragers die door NWO niet konden worden gehonoreerd wegens geldgebrek, vielen namelijk alsnog in de prijzen: hun eigen universiteit vond ze zo goed dat ze hen op eigen kosten uhd maakte. Alleen al in de eerste ronde overkwam dat achttien vrouwen. Maar of vrouwen die de drempel naar het uhd-schap genomen hebben inderdaad hoogleraar worden, zal uiteraard pas over een aantal jaren blijken.

Intussen is het Aspasia-geld op. Daarom wordt er nu nagedacht over een vervolg op het programma. "Misschien is de vijver van talentvolle vrouwelijk ud's wel leeg", zegt Margo Brouns, "en moeten we ons nu richten op de rang erboven--hoogleraar--of op het toeleiden van postdocs naar een aanstelling als ud."

Verschillen

Er bestaan overigens grote verschillen tussen de universiteiten (zie tabel 2). Koploper zijn de universiteiten van Amsterdam, Leiden en Nijmegen: die tellen verhoudingsgewijs de meeste vrouwelijke hoogleraren: ruim één op de tien. Daar steken de cijfers van de Technische Universiteit Eindhoven (één op de 62) schril bij af. Uiteraard laten die verschillen zich deels simpel verklaren: in de techniek werken nu eenmaal veel minder vrouwen dan in de alfa- en gamma-wetenschappen waarin Amsterdam, Leiden en Nijmegen groot zijn. Toch verklaart dat niet alles. Want waarom blijven universiteiten als die van Utrecht, Maastricht en de Vrije Universiteit achter bij de koplopers?

Tabel 2 Aandeel vrouwelijke universitaire hoofddocenten en hoogleraren in fte's, onderverdeeld naar universiteit

 Universiteit

Universitair hoofddocent

Hoogleraar

 

1995

2001

1995

2001

Erasmus Universiteit Rotterdam

6,4%

8,8%

2,1%

3,6%

Universiteit van Tilburg

8,1%

11,1%

6,2%

5,2%

Katholieke Universiteit Nijmegen

6,8%

12,1%

4,9%

10,6%

Rijksuniversiteit Groningen

8,1%

14,3%

6,8%

9,0%

Technische universiteit Delft

2,0%

4,6%

3,6%

2,4%

Technische universiteit Eindhoven

1,8%

0,8%

0,0%

1,6%

Universiteit van Amsterdam

12,2%

17,6%

5,4%

11,5%

Universiteit Leiden

8,7%

14,6%

4,9%

11,4%

Universiteit Maastricht

9,0%

16,9%

3,1%

4,6%

Universiteit Twente

2,1%

8,1%

1,0%

4,3%

Universiteit Utrecht

8,4%

15,0%

5,1%

7,0%

Vrije Universiteit Amsterdam

6,0%

7,9%

5,1%

7,4%

Wageningen Universiteit

4,6%

7,7%

5,0%

7,1%

Bron: WOPI 2001 en 2002.

Aan de Universiteit van Amsterdam weten medewerkers van de afdeling personeelszaken ook niet wat precies hun geheim is. "Er zijn wel zaken die in het verleden goed geholpen hebben", zegt UvA-beleidsmedewerker Lief Ketelaar. "Er is altijd wel gelet hoe benoemingsprocedures verlopen: wie beschikbare vrouwen niet aanneemt, moet dat kunnen verantwoorden. Dat is nu in het bewustzijn doorgedrongen, we hebben nu zelfs drie vrouwelijke faculteitsdecanen. We hoeven er niet meer bovenop te zitten."

Maar ook aan de UvA heeft de 'taal van het geld' geklonken. De universiteit heeft al een kleine tien jaar een fonds dat stimuleert om vrouwen te bevorderen van ud tot uhd of van uhd tot hoogleraar. Faculteiten kunnen uit dat fonds drie jaar lang het salarisverschil tussen die rangen vergoed krijgen. Op dit moment zijn er aan de universiteit achttien vrouwen die zo betaald worden.

Ook andere universiteiten lijken inmiddels in te zien dat geld een werkzaam smeermiddel is. De Groningse universiteit heeft nu haar Rosalind Franklin Fellowship, waaruit acht vrouwen betaald worden die aangesteld worden aan haar bèta-faculteit--waar tot nu toe niet meer dan drie vrouwen tot het vaste wetenschappelijke personeel behoorden.

En de Universiteit van Tilburg begon vijf jaar geleden met een regeling die een faculteit een premie van 50.000 (toen nog) gulden beloofde voor elke nieuw aangestelde uhd of hoogleraar. Dat werkte nauwelijks, en daarom verhoogde de universiteit de premie twee jaar geleden tot 75.000 gulden (35.000 euro). "Dat was kennelijk net het zetje dat de faculteiten nodig hadden", zegt een woordvoerder. Inmiddels staat de teller van het aantal gepremieerde benoemingen op elf.

* NWO is a sponsor of Next Wave Netherlands.

NL Job Market News is een serie van Next Wave over recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt voor academici in Nederland. De serie is mede mogelijk gemaakt door steun van SoFoKleS, het Sociaal Fonds voor de KennisSector.