Innovatie is een van de prioriteiten van het kabinet. Want zonder innovatie geen economische groei. Daarom is het kabinet er veel aan gelegen dat wetenschappelijke kennis wordt vertaald naar commerciële toepassingen, bijvoorbeeld via onderzoekers die hun kennis inzetten als basis voor een eigen bedrijf. Voor aio's en postdocs kan dat een alternatief zijn voor een wetenschappelijke loopbaan.

Theo Flipsen werkte ooit als aio in de chemie aan de Rijksuniversiteit Groningen. In 1996 startte hij het Polymer Service Centre Groningen, een bedrijf dat met name het midden- en kleinbedrijf helpt aan toegepaste kennis op het gebied van polymeerchemie. De eerste jaren deed Flipsen dat nog onder de vleugels van de universiteit, maar vier jaar geleden werd het bedrijf een zelfstandige BV, met inmiddels dertien werknemers. Is de stap van onderzoeker naar ondernemer groot? "Als het ondernemerschap je ligt niet", zegt Flipsen. "In een high-techbedrijf wordt je wetenschappelijke nieuwsgierigheid ook gevoed, daar zit het verschil niet in. Je hebt meer nodig dan alleen onderzoekersvaardigheden. Maar de grootste drempel is dat je het gewoon moet aandurven om die stap te zetten."

De Nederlandse economie zit te springen om mensen als Flipsen. Want, zegt het ministerie van Economische Zaken, Nederland worstelt met een paradox: het academisch onderzoek is van goede kwaliteit, maar het lukt slecht om met wetenschappelijke kennis producten te ontwikkelen en die op de markt te brengen. Dat hindert de economische groei. Want groei vereist stijgende productiviteit, en om die te realiseren is innovatie nodig. Maar in Nederland bestaat geen goede wisselwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven, en dat belemmert de innovatiekracht.

Universitaire spin-offbedrijven zoals dat van Flipsen - bedrijven die worden opgezet met binnen de universiteit gegenereerde kennis - helpen die kloof te overbruggen. Daarom zet het ministerie van Economische Zaken een scala aan instrumenten in om spin-offs te bevorderen. Zo is er het project Dreamstart dat 'technostarters' de weg wijst in het oerwoud van beschikbare informatie over het starten van een bedrijf ( http://www.dreamstart.nl). En speciaal voor life sciences is er BioPartner ( http://www.biopartner.nl). Via dat programma kan een onderzoeker subsidie krijgen om een businessplan te schrijven; ook kan hij er terecht voor de eerste investeringen als hij daadwerkelijk een onderneming start.

Op Prinsjesdag kondigde het ministerie aan dat het beleid op dit terrein een impuls krijgt. Alle bestaande initiatieven worden samengebracht in één programma, TechnoPartner geheten. De specifieke aandacht voor bijvoorbeeld life sciences en eerder ict wordt verruimd, zodat straks iedereen met een goed technologisch idee bij EZ terecht kan.

Zoektocht

Hebben postdocs en aio's daar iets aan? Misschien. "Onze ervaring is dat met name postdocs de capaciteiten hebben om een spin-offonderneming op te zetten", zegt Tineke Looijenga. Zij beheert aan de Groningse universiteit het programma Innovation plus Quality (zie: oldwww.rug.nl/cis/tlg/iqplus). Dat programma helpt onderzoekers met ondernemersplannen op weg met coaching en subsidie. "Veel postdocs moeten uiteindelijk de universiteit verlaten en zoeken dus iets anders", legt Looijenga uit. "Vaak hebben ze ervaring met de derdegeldstroomonderzoek, en dus met opdrachtgevers en producten. Ze snappen wat interessant kan zijn voor de markt."

De Groningse universiteit is niet de enige die spin-offs steunt. Volgens een recent onderzoek van het ministerie van EZ zijn er weliswaar nog steeds universiteiten die weinig belang hechten aan beleid op het gebied van spin-offs. Maar negen universiteiten hebben inmiddels een zogeheten incubator, een gebouw met kantoor- en laboratoriumruimte dat als broedplaats voor spin-offs moet werken. Andere universiteiten hebben programma's om beginnende ondernemers met leningen te steunen. Een aantal investeert zelfs - doorgaans via een holding - in hun eigen spin-offs door er aandelen in te nemen.

Geld

Het belangrijkste knelpunt voor spin-offbeleid is geld. De Twentse TOP-regeling (die afgestudeerden en medewerkers onder meer een lening biedt voor het eerste jaar van hun ondernemerschap) wordt in haar voortbestaan bedreigd omdat de Europese subsidies waaruit de organisatiekosten ervan betaald werden aflopen. Ook de beschikbaarheid van leningen is niet eindeloos, zegt Gert-Jan van den Berg, coördinator van het technostartersprogramma van de Technische Universiteit Delft. "De leningen die we verstrekken, moeten na een paar jaar terugbetaald worden. Maar veel starters hebben langer nodig om hun zaak draaiend te krijgen en terug te kunnen betalen. Daardoor is er minder geld beschikbaar voor nieuwe leningen."

Dat mechanisme werkt behalve bij leningen ook bij investeringen. Sommige universiteiten hebben aandelen in hun eigen spin-offs met de bedoeling die te verkopen zodra een bedrijf genoeg private investeerders weet te trekken. Maar ook dat blijkt langer te duren dan verwacht, zodat er nog weinig geld terugkomt. De Groningse universiteit heeft daardoor nu geen geld meer voor nieuwe investeringen, zegt collegevoorzitter Simon Kuipers, "net nu iedereen het belang van spin-offstimulering gaat inzien."

Maar ook voor spin-offs zelf is geld een probleem. Leningen zoals Twente en Delft bieden bedragen nooit meer dan enkele tienduizenden euro's. Met investeringen via universitaire holdings en een programma als BioPartner is meestal een paar honderdduizend euro gemoeid. Daar komen veel spin-offbedrijven slechts enkele jaren mee door, terwijl het vaak veel langer duurt voor ze een product klaar hebben waar private investeerders warm voor lopen. Die zijn de afgelopen jaren sowieso voorzichtig geworden.

Het vernieuwde EZ-programma TechnoPartner moet helpen dit gat tussen de fase van de allereerste investeringen en het tijdstip dat private financiers instappen te dichten. Over het hoe en wat is de EZ-begroting nog vaag: de 'toegang tot de kapitaalmarkt' moet beter, meldt die slechts. Meer duidelijkheid ontstaat pas als het nieuwe Innovatieplatform het kabinet over het technostartersbeleid heeft geadviseerd.

Kaas

Hoe dan ook, het starten van een eigen onderneming zal voor lang niet elke postdoc of aio zijn weggelegd. Om te beginnen zijn de huidige programma's, zowel van universiteiten als van de overheid, gericht op starters in de exacte hoek. Daarnaast blijkt niet elke onderzoeker over de vaardigheden te beschikken die een ondernemer nodig heeft. "De doorsnee techneut kan prima een product ontwikkelen, maar de markt verkennen, daar heeft 'ie geen kaas van gegeten", zegt Van den Berg (TU Delft).

Wie zicht wil krijgen op zijn eigen vaardigheden als ondernemer kan trouwens op internet een keur aan testen vinden. De website van het Groningse IQ+ biedt er een met stellingen als 'als het gaat om hij of ik, dan kies ik voor mijzelf' en 'succes is een keuze'. Wie het met zulke uitspraken eens is, is volgens de test een geboren ondernemer. "Het moet je liggen", zegt The Flipsen. "Anders moet je er zeker niet aan beginnen."

NL Job Market News is een serie van Next Wave over recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt voor academici in Nederland. De serie is mede mogelijk gemaakt door steun van SoFoKleS, het Sociaal Fonds voor de KennisSector.