De universiteiten worden te weinig geprikkeld wetenschappelijk onderzoek van topkwaliteit te leveren. Daarom is het wenselijk sterkere prestatieprikkels in te voeren. Dat stelt het Centraal Planbureau ( CPB) in een onlangs verschenen rapport. Koren op de molen van het kabinet. Maar de universiteiten zijn sceptisch.

'Prikkel de prof' heet het CPB-rapport, en dat klinkt jonge onderzoekers wellicht als muziek in de oren. Want als oudere onderzoekers die niet meer vooruit zijn te branden geprikkeld worden tot prestaties of moeten vertrekken, is dat goed nieuws voor jongeren die wel talent, maar geen uitzicht op een baan in de wetenschap hebben. Maar helaas, daarover gaat het CPB-rapport niét.

Het rapport gaat vooral over de verdeling van onderzoeksgeld op macroniveau. Jaarlijks stelt de overheid 1,4 miljard euro voor onderzoek rechtstreeks beschikbaar aan de universiteiten (de zogeheten eerste geldstroom). Slechts een derde daarvan is gekoppeld aan aanwijsbare prestaties: hoe meer studenten en hoe groter het aantal promoties en ontwerperscertificaten, hoe meer onderzoeksgeld een universiteit krijgt. De rest van het onderzoeksgeld, 935 miljoen euro per jaar, wordt louter op historische gronden verdeeld, zonder directe koppeling met wat voor prestatie dan ook.

Dat is het CPB een doorn in het oog. De auteurs van 'Prikkel de prof' erkennen dat er op het niveau van de individuele onderzoeker wel prestatieprikkels bestaan - wie geen kwaliteit levert, kan immers geen carrière maken - maar zulke prikkels moeten volgens hen ook op macroniveau ingevoerd worden. Want de economische theorie zegt dat prestaties omhoog gaan als die beloond worden met extra geld. Dat principe moet ook aan de universiteiten toegepast worden.

Het CPB voelt veel voor het Engelse model van de zogeheten Research Assessment Exercise. Dat houdt in dat al het universitair onderzoek periodiek beoordeeld wordt. De prestaties van elke onderzoeker worden opgeteld tot een score per onderzoeksgroep; de scores van alle groepen worden vervolgens verwerkt tot een ranking van universiteiten. Van dat totaaloordeel hangt ten slotte het onderzoeksbudget per universiteit af.

Vruchtbare bodem

Het CPB-rapport lijkt in vruchtbare bodem te vallen. Want ook het kabinet wil universiteiten meer afrekenen op onderzoeksprestaties. Premier Balkenende gaf een aanzet tot de discussie daarover bij de opening van het academisch jaar in Leiden. "Het is onvermijdelijk", zei hij, "dat we in de eerste geldstroom een relatie leggen tussen kwaliteit, prestaties en bekostiging." Die relatie is er nu niet, zei hij, want "het leveren van uitmuntende prestaties levert in de meeste gevallen geen cent extra op".

In de Onderwijsbegroting komt die gedachte terug. NWO, de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek *), moet instrumenten ontwikkelen om onderzoeksprestaties te meten, heet het daar. Die prestaties moeten vervolgens vertaald worden in geld: de best presterende universiteiten krijgen het meeste geld, anderen moeten het met een lager budget stellen. Al vanaf 2006 moet deze nieuwe manier om onderzoeksgeld te verdelen haar beslag krijgen.

De universiteiten, maar ook NWO en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), zijn niet onverdeeld gelukkig met deze plannen en ronduit ongelukkig met het CPB-rapport. "Het uitgangspunt is helder: prestaties moeten consequenties hebben voor de bekostiging", zegt Diederik Zijderveld, hoofd beleid van NWO. "Maar hoe? Dat is een buitengewoon ingewikkeld vraagstuk dat door sommigen met simpelheid bezien wordt. Het CPB zegt niet meer dan: prikkels werken ook elders, laten we dat ook aan de universiteiten proberen. Het heeft zich niet verdiept in de eigen aard van de wetenschappelijke sector."

Het CPB wekt bovendien de indruk dat bestuurders bij de verdeling van onderzoeksgeld binnen hun eigen universiteit nauwelijks op prestaties letten. "Een gotspe", noemt de Utrechtse rector magnificus Willem Hendrik Gispen dat. "Wij schuiven het geld echt niet zomaar door naar onderzoeksgroepen, met de mededeling: alstublieft, tot volgend jaar is het weer in orde", zegt die. "Elke universiteit heeft methoden om geld beschikbaar op grond van prestaties en eigen prioriteiten. Geld verdelen op grond van prestaties, dat gebeurt allang."

Ook de oplossing die het CPB aandraagt, roept weinig enthousiasme op. Het wil namelijk aanhaken bij de onderzoeksvisitaties die tot voor kort onder auspiciën van de VSNU werden gehouden. In dat visitatiesysteem werd al het Nederlandse onderzoek per discipline onder de loep genomen door een landelijk werkende commissie; aan de oordelen van zo'n commissie zouden naar Engels model beslissingen over de verdeling van budgetten gekoppeld kunnen worden.

Onuitvoerbaar, vindt men alom, want dat landelijke visitatiesysteem is juist dit jaar afgeschaft om plaats te maken voor een evaluatiesysteem waarin meer aan afzonderlijke universiteiten wordt overgelaten. Niemand wil terug naar dat oude landelijke systeem. Bovendien, zegt Chris Moen, algemeen directeur van de KNAW, wie beslissingen over geld koppelt aan kwaliteitsoordelen, maakt een einde aan de openheid die tot nu toe heerst rond de kwaliteit van onderzoek. "Dan is het systeem waarmee je de onderzoekskwaliteit evalueert ten dode opgeschreven. Dat wordt list en bedrog."

De laatste kanttekening is misschien wel de belangrijkste: de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek is in orde en geeft dus geen aanleiding tot rigoureuze ingrepen. "Je zou je ernstig zorgen moeten maken als veel eerstegeldstroomgeld aan zwak onderzoek werd besteed", zegt Moen. "Maar die diagnose stelt niemand. En terecht. Alles wijst erop dat de kwaliteit van het Nederlandse onderzoek heel behoorlijk is."

Bloed

Ondanks alle scepsis lijken de universiteiten bereid mee te denken over een prestatiegerichte bekostigingsmethodiek. "Van der Hoeven (Maria van der Hoeven, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, red.) lijkt het echt te willen en de minister en de universiteiten reageren niet meer zo eendimensionaal op elkaar als vroeger wel het geval was. De verhouding tussen ministerie en universiteiten is nu tamelijk vruchtbaar", zegt Zijderveld van NWO. "Er bestaat een kans dat er echt iets verandert."

KNAW en NWO denken voorzichtig na of de bekostiging niet indirect gekoppeld kan worden aan de kwaliteitsevaluaties; de vraag hoe een universiteit zulke evaluaties omzet in beleid, zou dan richtsnoer voor budgetbeslissingen kunnen zijn. De KNAW heeft eerder al een suggestie gedaan die rechtstreeks aansluit bij de positie van jonge onderzoekers: koppel de bekostiging aan een accreditatie voor onderzoekersopleidingen. Dat betekent dat een onderzoeksgroep geen geld krijgt als de bijbehorende onderzoekersopleiding geen keurmerk weet te verwerven. "Opleidingen ontlenen hun kwaliteit aan de onderzoeksgroep waarop ze leunen; daarom is de kwaliteit van zo'n opleiding een belangrijke maatstaf", licht Moen toe.

Maar alsjeblieft geen wilde ingrepen, vindt de KNAW-directeur. "Er zijn er genoeg die bloed willen zien. Wie? Mensen in de hoek van Economische Zaken en het bedrijfsleven die er het vooroordeel op na houden dat universiteiten nog steeds ivoren torens zijn en eigenlijk vinden dat ondernemingen de agenda van de universiteiten zouden moeten bepalen. Daar moet de minister weerstand aan bieden."

*) NWO is a sponsor of Next Wave Netherlands.

NL Job Market News is een serie van Next Wave over recente ontwikkelingen op de arbeidsmarkt voor academici in Nederland. De serie is mede mogelijk gemaakt door steun van SoFoKleS, het Sociaal Fonds voor de KennisSector.