Talentvolle jonge onderzoekers mogen voor het vervolg van hun loopbaan niet langer afhankelijk zijn van het toevallig vrijkomen van een baan aan een universiteit. In plaats daarvan moet hun loopbaan bepaald worden door hun prestaties. Dat staat in het zogeheten Wetenschapsbudget 2004 van minister Van der Hoeven.

Het Wetenschapsbudget, dat eind vorige maand naar de Tweede Kamer werd gestuurd, is het document waarin minister van Onderwijs Maria van der Hoeven haar plannen op het gebied van wetenschap voor de komende vier jaar uiteenzet. Voorlopig is de vervanging van het formatiebeginsel door het loopbaanbeginsel - zoals het jargon luidt voor een meer door prestaties bepaald loopbaanbeleid - echter meer een wens van de minister dan een concreet plan. Want, schrijft zij, het voeren van personeelsbeleid is een taak van de universiteiten zelf, waarin de minister niet rechtstreeks kan ingrijpen.

Toch is Van der Hoeven niet van plan het bij mooie woorden te laten. Het zit haar al langer dwars dat toeval een te grote invloed heeft op de vervolgloopbaan van jonge onderzoekers. Want als er voor hen geen baan beschikbaar is op het tijdstip dat hun contract afloopt, staan ze vaak simpelweg op straat - of ze nu talent hebben of niet. Een slechte zaak, vindt de minister, en daarom moeten de universiteiten van haar "concrete en toetsbare plannen" te maken om het loopbaanbeginsel in te voeren.

Hoewel de minister de universiteiten niet kan dwingen deze koers in te slaan, heeft zij wel een stok achter de deur. De plannen waar zij om vraagt, moeten namelijk deel gaan uitmaken van de 'prestatieafspraken' die zij met de universiteiten wil maken. De gedachte van dat soort afspraken dook voor het eerst op in de Onderwijsbegroting van afgelopen najaar en houdt in dat de minister met elke afzonderlijke universiteit na te streven prestaties wil afspreken op terreinen die de overheid na aan het hart liggen. In de begroting werden als voorbeeld streefcijfers op het gebied van allochtone studenten genoemd, en in het Wetenschapsbudget komen daar nu dus ook "toetsbare" loopbaanplannen bij. Universiteiten die de afgesproken prestaties inderdaad leveren, krijgen extra geld. Voor zulke beloningen is per jaar vijftien miljoen euro beschikbaar.

Kleurrijk talent

De wens met betrekking tot de afschaffing van het formatiebeginsel is niet het enige nieuwtje in het Wetenschapsbudget op het gebied van personeelsbeleid. Van der Hoeven wil ook dat het aantal vrouwen in de wetenschap blijft stijgen. NWO had daarvoor de afgelopen jaren een programma, Aspasia, dat universiteiten stimuleerde vrouwen te bevorderen van universitair docent tot hoofddocent. Van der Hoeven belooft nu geld uit te trekken om dat programma te laten doorgaan. Daarnaast trekt zou twee miljoen euro per jaar uit om ervoor te zorgen dat NWO meer aanvragen van vrouwen voor de Vernieuwingsimpuls (de zogeheten Veni-, Vidi, en Vici-subsidies) kan honoreren.

Ten slotte belooft Van der Hoeven na te gaan of er geld gevonden kan worden om te stimuleren dat allochtonen (oftewel 'kleurrijk talent', zoals ze in het Wetenschapsbudget genoemd worden) beter aan de bak kunnen komen in de wetenschap. NWO heeft ook daar een programma voor, Mozaïek geheten, maar heeft daar maar voor één jaar geld voor. De minister gaat nu geld zoeken om dat programma ook na dat jaar te kunnen voortzetten.

Dutch paradox

Ook voor de wetenschap in het algemeen bevat het Wetenschapsbudget goed nieuws. NWO krijgt de komende jaren vijftig miljoen euro extra te verdelen om de beste onderzoeksgroepen aan de universiteiten te kunnen versterken. Daarnaast wordt er een nieuw fonds gecreëerd, met eveneens vijftig miljoen euro per jaar, afkomstig uit de begroting van het ministerie van Economische Zaken. Met het geld uit dit fonds moet onderzoek ondersteund worden waarin universiteiten, bedrijven, technologie-instituten en hogescholen samenwerken. Wie straks dat geld gaat verdelen, wordt in het Wetenschapsbudget nog in het midden gelaten.

De gedachte achter dit EZ-fonds is dat de hele keten van grensverleggend onderzoek tot en met de ontwikkeling van marktwaardige producten samengebracht moet worden. Zo hoopt het kabinet de zogeheten 'Dutch paradox' op te lossen. Die houdt in dat het wetenschappelijk onderzoek in Nederland weliswaar van goede kwaliteit is, maar dat het slecht lukt om die wetenschappelijke kennis toe te passen, er nieuwe producten mee te ontwikkelen en er geld aan te verdienen. Aan die paradox heeft Nederland voor een belangrijk deel te wijten dat het op het gebied van innovatie achterblijft bij de Verenigde Staten en de rest van Europa, denkt het kabinet.

Zowel voor het extra NWO-geld als voor het nieuwe EZ-fonds geldt dat de universiteiten er zelf vijftig miljoen euro moeten bijleggen. Het geld kan overigens pas verdeeld worden als het Innovatieplatform er zijn licht over heeft laten schijnen; dat platform gaat zich namelijk buigen over de criteria voor die verdeling en over de thema's waarop het te subsidiëren onderzoek zich moet richten.

Het Innovatieplatform zal ook worden geraadpleegd over de besteding van de zestig miljoen euro die in het Wetenschapsbudget in het vooruitzicht wordt gesteld voor beleid op het gebied van 'kenniswerkers'. Dat beleid moet ervoor zorgen dat universiteiten en bedrijfsleven in Nederland op termijn over genoeg hoog opgeleide werknemers kunnen beschikken. Een groot deel van het geld zal waarschijnlijk worden uitgetrokken voor maatregelen om de verwachte tekorten aan bèta's en technici te bestrijden.

Tenslotte kondigt het Wetenschapsbudget aan dat het ministerie van Economische Zaken een bedrag van 25 miljoen euro beschikbaar stelt voor het nieuwe programma TechnoPartner. Dat programma is bedoeld om startende high-tech-ondernemingen op weg te helpen. Ook universitaire spin-offbedrijven kunnen daarvan profiteren, zo is de bedoeling.

Zowel NWO als de vereniging van universiteiten VSNU zijn blij met het Wetenschapsbudget. Zij hadden, samen met de wetenschappelijke academie KNAW en werkgeversfederatie VNO-NCW gevraagd om honderd miljoen extra te investeren in wetenschap, te verdelen via NWO. Dat geld komt er nu. Dat een deel ervan via Economische Zaken verdeeld zal worden, hoeft, als de plannen voor dat nieuwe fonds goed uitgewerkt worden, geen bezwaar te zijn.