Jong wetenschappelijk talent opsporen en het behouden. Sinds de universiteiten een paar jaar geleden in de gaten kregen dat hen een grote pensioengolf wacht, ziet men alom het belang daarvan in. Ook Maastricht heeft zich nu gevoegd bij het legertje universiteiten dat met gericht beleid haar talent wil koesteren.

De Universiteit Maastricht ? met haar 27 jaar de jongste universiteit van Nederland ? gold lange tijd als de minst vergrijsde. Maar dat beeld moet inmiddels bijgesteld worden, zegt Corry van Tankeren, beleidsmedewerker Human Resources Management in Maastricht. "Bij een aantal grote faculteiten, zoals Geneeskunde, begint de vergrijzing nu ook hier heftig toe te slaan. Daar wordt de komende jaren een grote uitstroom van senior wetenschappers verwacht. Om de gaten op te vullen die daardoor ontstaan, is jong talent nodig. En om dat te herkennen, aan te trekken en te behouden, is gericht beleid nodig."

Van wezenlijk belang in de Maastrichtse aanpak is dat alle wetenschappelijke staf wordt aangesproken op zijn functie als talent-scout. Van elke wetenschapper wordt verwacht dat zij studenten die bijzonder actief of slim zijn opmerken. Niets bijzonders, op het eerste gezicht. Van Tankeren: "De goeien doen al iets met hun talentvolle studenten, maar er zijn er nog maar al te veel die nauwelijks gespitst zijn op het signaleren van talent. Daar komt bij: het gaat niet alleen om het opmerken van talent, het gaat er ook om dat daar iets mee gebeurt. Voor elke talentvolle student moet de vraag gesteld worden wat de faculteit met hem of haar wil en wat zij hem kan bieden."

Overbrugging

Maar de Maastrichtse aanpak houdt meer in dan een oproep aan zittende wetenschappers om toch vooral hun ogen open te houden. Want echt talent is niet dik gezaaid en daarom veel gevraagd. "We hebben gemerkt dat er een grote leegloop plaatsvindt rond het tijdstip dat talentvolle studenten afstuderen; datzelfde gebeurt opnieuw als promovendi bezig zijn hun proefschrift af te ronden", zegt Van Tankeren. "Dat zijn de perioden dat juist de beste studenten en promovendi worden weggekocht worden door andere werkgevers of dat ze zelf alternatieve loopbaanplannen maken. Daarom is het juist in die perioden belangrijk ze te 'vangen' en even vast te houden."

De Universiteit Maastricht gaat dat doen door talentvolle studenten en promovendi een overbruggingsjaar aan te bieden. Pas afgestudeerde studenten kunnen een aanstelling krijgen van een jaar; daarin kunnen ze zich voorbereiden op promotieonderzoek, bijvoorbeeld door een onderzoeksvoorstel te schrijven. Iets soortgelijks geldt voor veelbelovende promovendi: zodra zij klaar zijn met hun proefschrift kunnen ze voor een jaar aangesteld worden om de overstap naar een baan als postdoc te versoepelen. Voor deze overbruggingsjaren trekt Maastricht vooralsnog een half miljoen euro per jaar uit.

Een laatste lokkertje voor Maastrichts talent moet nog uitgewerkt worden. De universiteit overweegt serieus een eigen beurzenprogramma op te zetten voor veelbelovende studenten met een bachelordiploma op zak; met die beurs kunnen ze een masterstudie in het buitenland volgen. Met zo'n programma zou Maastricht een gat vullen dat het ministerie van Onderwijs tot nu toe niet heeft weten te dichten. Want hoewel internationalisering een hoeksteen is van het ministeriële hogeronderwijsbeleid, is er op landelijk niveau nog niets geregeld voor bachelorstudenten die in het buitenland willen doorstuderen; Nederlandse studiefinanciering kunnen zij voor een studie in het buitenland namelijk niet krijgen en ook beurzen zijn er voor hen niet of nauwelijks.

Maastrichts talent kan straks echter wel naar het buitenland voor een masterstudie. "Het is niet de bedoeling dat wij straks promovendi aanstellen die niets van de wereld hebben gezien", zo legt Van Tankeren het belang daarvan uit. "Met dat beurzenprogramma willen we talentvolle bachelors in staat stellen hun blik te verbreden. Ze moeten dan wel na afloop van hun verblijf in het buitenland in dienst treden van de Universiteit Maastricht."

Voorbeeld

De Universiteit Maastricht is geen koploper als het gaat om talentbeleid en kan dan ook dankbaar gebruik maken van de voorbeelden van universiteiten waar de pensioengolf zich al een paar jaar eerder aandient. Zoals van het voorbeeld van de Amsterdamse Vrije Universiteit. Die besloot eind 2002 maar liefst 3,6 miljoen euro per jaar aan talentbeleid te spenderen. Ook de VU heeft met dat geld 'doorstartposities' voor talentvolle studenten en promovendi in het leven geroepen; daarnaast zijn er onder meer student-assistentschappen voor veelbelovende masterstudenten gekomen.

Het VU-talentbeleid strekt zich ook uit tot postdocs. Veel jonge wetenschappers lopen immers pas vast in hun carrière als ze hun eerste postdocschap erop hebben zitten. Voor velen van hen is er daarna simpelweg geen vaste plaats als universitair docent beschikbaar ? zodat ze vaak in arren moede maar een nieuwe postdoc-aanstelling aanvaarden. Daarom heeft de VU ook geld vrijgemaakt om postdocs aan te stellen als universitair docent. Dertig postdocs op cruciale posities in facultaire onderzoeksstrategieën hebben daar een ud-aanstelling aan te danken.

De VU is nu bezig de eerste resultaten van haar talentbeleid te evalueren. Die evaluatie is nog niet afgerond, maar een aantal eerste indrukken heeft projectleider talentbeleid Annemarie Kneppers wel. Een van de conclusies is dat maatwerk noodzakelijk is. De verschillen tussen de faculteiten zijn namelijk groot. "Om te beginnen verschilt de onderzoekscultuur", zegt Kneppers. "Faculteiten die erg op onderzoek gespitst zijn, scoren altijd al goed. Die volgen bijvoorbeeld de carrière van hun postdocs in het buitenland en vragen ze na drie jaar terug te komen. Elders weet men soms bij wijze van spreken al na een week niet meer waar een vertrokken promovendus gebleven is."

Ook de positie op de academische arbeidsmarkt verschilt van faculteit tot faculteit. Er zijn faculteiten waar veel meer jong talent is dan er plaatsen zijn, terwijl bij andere de onderzoeksprojecten al klaar liggen, maar er niemand te vinden is om ze uit te voeren. "We hebben de faculteiten daarom precies laten aangeven waaraan ze het beschikbare geld wilden uitgeven. Ze moesten met uitgewerkte plannen komen over waar de wetenschappelijke staf het meest vergrijsd is en wat ze daaraan wilden doen. Het was niet zomaar een zak geld die we verdeeld hebben."