wetenschappelijk onderzoekers uit landen buiten de Europese Unie worden in de toekomst soepeler toegelaten tot Nederland. Tenminste als die onderzoekers een baan vinden die hen een salaris van minstens 45.000 euro oplevert. Dat stelt het kabinet voor. Voor promovendi en postdocs wil het echter een uitzondering maken.

Een universiteit heeft van de Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek ( NWO) geld gekregen om een postdoc aan te stellen. In Nederland is geen geschikte onderzoeker te vinden, en daarom nodigt de universiteit een Indiase kandidaat uit. Om Nederland in te komen, moet die eerst geboorte- en trouwbewijzen hebben. Daarvoor reist hij duizenden kilometers naar zijn geboorteplaats. De Nederlandse ambassade screent die papieren. Vervolgens loopt zijn aanstelling maanden vertraging op, omdat het Centrum voor Werk en Inkomen ( CWI) vindt dat de universiteit niet genoeg heeft gedaan om een Nederlander te vinden. Eenmaal in Nederland moet de Indiër eindeloos wachten op een verblijfsvergunning - en tot hij die heeft kan hij ook geen sofi-nummer aanvragen.

Ook als uiteindelijk alles geregeld is, is hij nog niet klaar: elk jaar opnieuw moet hij zijn verblijfsvergunning verlengen.Krijgt hij een kind, dan moet hij ook daarvoor weer naar de vreemdelingenpolitie. Hoeveel hij al met al aan legeskosten betaalt, is nog moeilijk bij te houden. Hoe dan ook, als hij na afloop van zijn contract de kans krijgt Nederland te verlaten, doet 'ie dat.

Bovenstaand voorbeeld is afkomstig uit een advies van het Innovatieplatform dat een half jaar geleden bij het kabinet op de deurmat plofte. In dat platform buigen ministers en vertegenwoordigers van wetenschap en bedrijfsleven zich over een nieuw innovatiebeleid. Toen het van start ging in het najaar van 2003, was de toelatingsprocedure voor buitenlandse 'kenniswerkers' een van de eerste zaken die het op zijn agenda zette. Want "kennismigranten zijn géén gelukzoekers, maar een essentile 'grondstof' voor onze kenniseconomie", zoals het Innovatieplatform het zelf uitdrukte. Maar Nederland is slecht toegankelijk voor hoog opgeleide migranten, omdat de toelatingsprocedures hier duur en ingewikkeld zijn. Daardoor mist Nederland de slag in de battle for brains.

Dat moet anders, vindt het Innovatieplatform. Nederland moet, als het gaat om de soepele toelating van kenniswerkers, binnen twee jaar tot de topdrie van Europa behoren. In plaats van de huidige wirwar aan instanties en vergunningen moet er "één loket, één procedure en één document" komen speciaal voor alle internationale kennismigranten, zo luidde het advies.

IJsbreker

Het Innovatieplatform heeft "zijn rol als ijsbreker vervuld", zegt secretaris Frans Nauta van het platform nu. Inderdaad is het kabinet voortvarend aan de slag gegaan; inmiddels ligt er een notitie waarin minister Verdonk van Vreemdelingenzaken aangeeft hoe zij het advies van november in beleid wil omzetten. Maar enthousiast kan het platform nauwelijks zijn. Want het advies is maar zuinigjes in maatregelen vertaald.

De grootste tegenvaller is dat het kabinet studenten niet als kennismigrant aanmerkt - terwijl het Innovatieplatform uitdrukkelijk adviseerde dat wél te doen. Maar volgens het kabinet is een kennismigrant iemand die "naar Nederland komt om arbeid in loondienst te verrichten en een bruto-inkomen verdient vanaf 45.000 euro". "In het loon komt de waarde van de kennismigrant voor de Nederlandse arbeidsmarkt tot zijn recht", schrijft Verdonk.

Voor promovendi en postdocs wordt een uitzondering gemaakt worden op dit criterium. Die staan aan het begin van hun carrière, werken in de publieke sector en verdienen dus lang geen 45.000 euro. Maar ze leveren volgens Verdonk wel "een essentiële bijdrage aan de kennisontwikkeling in Nederland". Dus wil Verdonk promovendi geen enkel inkomenscriterium opleggen. Postdocs hoeven 'slechts' 32.600 euro (de ziekenfondsgrens) te verdienen, net als universitair docenten die nog geen dertig jaar zijn.

Ook wat het kabinet voor kennismigranten wil regelen, valt een beetje tegen. De werkgever van deze migrant heeft voortaan geen tewerkstellingsvergunning nodig, en dat is winst. Wel moet hij nog steeds een visum aanvragen om Nederland binnen te komen en als hij langer dan drie maanden blijft ook een verblijfsvergunning. Die verblijfsvergunning kan maximaal vijf jaar gelden, en ook dat is winst, want daarmee is de kennismigrant af van de verplichting om elk jaar opnieuw een verlenging aan te vragen. Toch is het streven naar één document voor kennismigranten met deze maatregelen niet verwezenlijkt. Een kennismigrant heeft nog steeds een visum én een verblijfsvergunning nodig en moet zijn gegevens dus nog steeds twee keer aanleveren.

Ook de verlaging van de leges valt tegen. De legeskosten voor de jaarlijkse verlenging vervallen, wat over vijf jaar gerekend 285 euro scheelt. En door de invoering van een gezinstarief dalen de kosten flink als echtgenoot en kinderen tegelijk hierheen komen. Deze stijgen echter als zij later dan de kennismigrant naar Nederland komen. Al met al blíjft Nederland ongunstig afsteken tegen andere landen. Want om het land in te komen moet de kennismigrant hoe dan ook 424 euro neertellen - tegen tien euro in België, 51 in Duitsland en maximaal 132 in het Verenigd Koninkrijk.

In de Pas

'Binnen twee jaar in de topdrie', daar is dus geen sprake van. Toch is platform-secretaris Nauta mild over Verdonks notitie. De procedures worden "aanzienlijk verkort en transparant voor de aanvrager", zegt hij. Geen woord van kritiek over het feit dat studenten, anders dan in zijn advies, niet als kennismigrant worden aangemerkt. En de betrekkelijk geringe verlaging van de leges brengt volgens hem Nederland "weer meer in de pas met de ons omringende landen".

Ook de universiteiten leggen in hun reactie meer nadruk op wat de maatregelen hen opleveren dan op wat er nog aan ontbreekt. "Het is een grote stap vooruit dat die aparte status voor kennismigranten er nu komt", zegt hoofd beleid Jeroen Bartelse van de Vereniging van Universiteiten ( VSNU). Inderdaad zijn de leges nog steeds hoog in vergelijking met andere landen, zeker voor gezinsleden. "Maar die kan misschien nog omlaag", zegt Bartelse. "Er wordt nu gesproken over convenanten tussen de overheid en instellingen die kennismigranten inzetten. Daarin kan misschien ook geregeld worden dat die instellingen meer verantwoordelijkheid krijgen, zodat de toetsing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst lichter kan." legt hij uit. "En," besluit Batelse, "omdat die leges kostendekkend zijn, kunnen die dan ook omlaag."

Het grootste punt van kritiek is voor de universiteiten de status van buitenlandse studenten. Bartelse noemt het "heel jammer" dat die buiten de boot vallen. "Het aantrekken van jong talent is van wezenlijk belang voor Nederland als kennissamenleving," vindt hij, "daarom hadden ook studenten als kennismigrant opgevat moeten worden."