AiO's die een groot deel van hun promotieonderzoek uitvoeren in het buitenland zijn essentieel voor economische vooruitgang. Om van Europa in 2010 de meest competitieve economie in de wereld te maken, zoals de Europese Commissie wil, is wetenschappelijke samenwerking een sleutelbegrip. En hiervoor moeten enige duizenden onderzoekers een brugfunctie vervullen tussen excellente Europese onderzoeksinstituten, zo heeft de Commissie becijferd. Om wetenschappers al vroeg in hun carrière te laten kennismaken met zo'n spilfunctie, is in Frankrijk de co-tutelle de thèse ? wetenschappelijke samenwerking met dubbele diplomering ? ingevoerd. Tijdens een co-tutelle wordt een promovendus door een Franse en buitenlandse hoogleraar gezamenlijk begeleid, en daar staat dan een dubbele diplomering tegenover. Marcel Twickler (33) en Sonja Janmaat (24) gingen die uitdaging aan, en hebben door hun zoektocht naar complementaire kennis en methodologie in Frankrijk misschien wel de basis van een Europese onderzoeksas gelegd.


Marcel promoveerde in 2003 eerst aan de Universiteit Utrecht én erna aan de Universiteit van Paris VI op onderzoek naar de cardiovasculaire endocrinologie. Het laatste jaar van zijn promotieonderzoek bracht hij door in het Hôpital Pitié Salpetrière in Parijs. Inmiddels is hij aangesteld als internist in opleiding in het academisch ziekenhuis van de Radboud Universiteit Nijmegen. Sonja (foto hiernaast) heeft voor haar proefschrift ruim twee jaar neurobiologisch onderzoek gedaan in een laboratorium aan de universiteit van Parijs VI in de Franse hoofdstad.

In de laatste fase van haar studie aan de Universiteit Groningen liep ze er een onderzoeksstage, en ze besloot er een promotieonderzoek aan vast te knopen. "Met mijn begeleiders is afgesproken dat ik het eerste gedeelte van mijn onderzoek in Parijs zou doen", licht zij haar traject toe, "Ik kan daar werken met een mutante muizensoort die in Nederland niet voorhanden is." En, "omdat mijn onderzoek over veroudering gaat, beslaat mijn onderzoekstijd in Frankrijk een lange aaneengesloten periode." Na haar verblijf in Parijs gaat Sonja terug naar Groningen om daar haar onderzoek te vervolgen.

La co-tutelle de thèse, qu'est-ce que c'est ?

In Frankrijk is de co-tutelle de thèse (letterlijk: 'gezamenlijke begeleiding van een proefschrift') in 1994 ingevoerd door het Franse Ministerie van Onderwijs en Onderzoek. De begeleiding van deze vorm van promotieonderzoek is gelijk verdeeld over een Franse instelling en een partneruniversiteit in het buitenland. De promovendus moet zelf promotoren ? en de universiteiten waaraan deze verbonden zijn ? bereid vinden om aan een co-tutelle de thèse mee te werken. Vervolgens maakt zij of hij op voorhand afspraken met promotoren en colleges voor promoties van beide instellingen. De betrokken partijen stellen op basis van deze besprekingen een convention (overeenkomst) op, met afspraken over de evenredige verdeling van werklast, kosten en organisatie (waaronder de voertaal van het proefschrift, de plaats van verdediging en de duur van de verblijven in de partnerinstelling). Na afloop van het onderzoek ontvangt de promovendus twee doctorsgraden.

In Nederland bestaat geen landelijke regeling voor wetenschappelijke samenwerking met dubbeldiplomering. Het aantal bilaterale initiatieven op wetenschappelijk terrein is de laatste jaren toegenomen, maar de afzonderlijke instellingen zijn niet eensgezind over de voorwaarden waaronder de academische samenwerking moet plaatsvinden. Enkele Nederlandse universiteiten hebben voornamelijk moeite met de financiering en de vereiste uniciteit van het onderzoek van de co-tutelle de thèse. De verdediging van het proefschrift vindt daarom voor zowel Nederlandse en Franse promovendi eerst in Nederland plaats. Pas daarna kan de Franse doctorsgraad worden toegekend, al dan niet op basis van een tweede verdediging in Frankrijk. Tot nu toe heeft geen enkele Nederlandse instelling de omgekeerde procedure ? eerst verdediging in Frankrijk en dan in Nederland ? geaccepteerd.

Meerwaarde

Deze bilaterale vorm van samenwerking heeft een aantal voordelen:

  • het ontstaan van netwerken tussen onderzoekers en instellingen;

  • organisatie van gezamenlijke vervolgactiviteiten, zoals publicaties, conferenties of onderzoeksprojecten;

  • betere verspreiding van gegevens over bestaande onderzoeksprojecten;

  • betere toegang tot de infrastructuur van faciliteiten en steviger inbedding van onderzoek in financiering.

Daarnaast worden onderzoekers beter voorbereid op het verrichten van onderzoek in het buitenland en is de arbeidsmarkt gebaat bij werknemers met internationale ervaring.

Volgens Marcel is de meerwaarde van een intensivering van de Frans-Nederlandse as in de biomedische wetenschappen duidelijk aanwijsbaar. "Frankrijk heeft zich de laatste decennia verder ontwikkeld binnen haar eigen wetenschapstraditie, waar in de biowetenschappen het begrip homeostase nog steeds centraal staat," illustreert hij. "Ondertussen heeft Nederland zich voornamelijk georiënteerd op de Angelsaksische landen." Nederland heeft daarmee meer een epidemiologische benadering van het begrip van ziekten gevolgd: het zoeken naar risico's en ziektedeterminanten aan de hand van wiskundige modellen. Maar voorspellen aan de hand van statistische modellen betekent niet altijd dat het biologische concept achter de ziekte duidelijk is, aldus Marcel. "Met de opkomende wetenschapsgebieden als proteomics en metabolomics, willen we ziekten en gerelateerde behandelingen beter gaan begrijpen," zegt hij. "Deze verschuiving van aandacht vraagt om andere, meer pathofysiologische, strategieën. En daar is Frankrijk juist sterk in."

Marcel werkt nog steeds nauw samen met de endocrinologische groep van het Hôpital Pitié Salpetrière, die geleid wordt door de professoren Bruckert en Chapman. Deze samenwerking heeft een aantal publicaties opgeleverd in gerenommeerde biomedische cardiovasculaire tijdschriften, zoals Circulation. Ook heeft Marcel twee studenten begeleid die in het Parijse ziekenhuis afstudeeronderzoek deden. Een volgende studente gaat in februari 2005 naar Parijs om onderzoek te doen naar verstoringen in de hormoonhuishouding en cardiovasculaire risicofactoren. Zij hebben allen een beurs gekregen via het Frans-Nederlands Netwerk voor Hoger Onderwijs en Onderzoek ( FNN, zie box 1).

Wat is het FNN?

Het Frans-Nederlands Netwerk voor Hoger Onderwijs en Onderzoek is opgericht in 2001 om de Frans-Nederlandse (wetenschappelijke) relaties te versterken en bij te dragen aan een kennisrijk Europa. Het geeft vanuit zijn steunpunten in Utrecht en Lille informatie over Frans-Nederlandse samenwerking aan studenten, docenten, onderzoekers en bedrijven.

De belangrijkste activiteiten van het FNN zijn:

  • uitwisselingen in het (hoger) onderwijs, zoals jaarlijkse Frans-Nederlandse ontmoetingsdagen en het vergelijken van elkaars opleidingen;

  • onderzoek, met name samenwerking in actuele onderzoeksthema's (life sciences, voedselveiligheid, nanotechnologie, ICT), door het organiseren van seminars gericht op (jonge) onderzoekers en het aanbieden van expertise en partnersearch;

  • samenwerking met het bedrijfsleven, via een interactieve website voor stage en bedrijf ( www.stages-france.nl), en contactgroepen van Nederlandse en Franse stagecoördinatoren;

  • bundeling van kennis op het gebied van de Franse taal en cultuur.

Communication française

Marcel heeft enorm veel geleerd in Frankrijk: zijn gezichtspunten zijn bijgesteld en breder gedefinieerd. Zo wordt de relatie tussen arts en patiënt er anders beleefd. Deze is eerder probleemgericht dan relationeel of contextueel zoals in Nederland. De uitleg aan de patiënt is veel meer gericht op het ziekteconcept zelf dan op het terugdringen van risico's. De patiënt beheert zelf thuis zijn status en heeft meer invloed op de keuze voor een ziekenhuis en een arts. Het voorschrijfgedrag van een andere orde en de wijze van vestiging is liberaler.

Volgens Marcel heerst in Frankrijk ook een andere opvatting over hoe met de schaarste in de zorg en nationale richtlijnen binnen de kliniek omgesprongen moet worden. "In Le Monde komen dezelfde problemen in de Sécurité Sociale en gezondheidszorg naar voren als in de NRC een maand later, maar dan met een andere benadering en een ander voorstel tot een oplossing!" zegt hij bij wijze van voorbeeld, "Om elkaar te begrijpen is de mobiliteit van wetenschappers dus hard nodig."

Daarnaast is de Franse medische onderzoekswereld heel anders georganiseerd dan de Nederlandse. Marcel kreeg voor zijn onderzoek een beurs van het Institut National de la Santé et de la Recherche Médicale ( INSERM). Vrijwel al het medisch onderzoek vindt plaats binnen dit instituut, dat bestaat uit hiërarchisch georganiseerde onderzoekseenheden, die verbonden zijn aan universiteiten of (academische) ziekenhuizen. Binnen het INSERM is veel meer competitie en focus op resultaten dan in Nederland. Iedere drie jaar wordt de kwaliteit van een onderzoekseenheid geëvalueerd, wat in het ergste geval kan leiden tot verlies van de eenheid. Onderzoekers werken daarom vanuit een duidelijk omschreven onderzoeksplan en zijn ook buiten het eigen instituut actief, bijvoorbeeld in bestaande INSERM-netwerken.

De wijze van communicatie in Frankrijk vraagt volgens Marcel om ervaring en een langdurig verblijf. Naast de grotere mate van hiërarchie en andere werktijden is de (medische) onderzoekswereld nog steeds overwegend Franstalig. Dit betekent dat presentaties in het Frans gehouden worden en Engelstalige vaktijdschriften minder voorhanden zijn dan in Nederland. De verdediging van het proefschrift is voor Marcel ook een intensieve ervaring geweest. "Het Nederlandse hora est is er niet bij!" legt hij uit, "Ik ben door de promotiecommissie maar liefst drie uur onafgebroken ondervraagd over mijn proefschrift." De verdediging in Frankrijk is daarmee veel meer dan een formaliteit. De promotie kan zelfs worden afgewezen naar aanleiding van de verdediging. Bovendien moet de promovendus na afloop vrijwel altijd correcties in het manuscript doorvoeren.

Perspectief

Voor Sonja betekent haar onderzoeksverblijf in Parijs het begin van een institutionele samenwerking met toekomst, waar mogelijk grootschaliger samenwerking in het kader van Europese projecten uit zal voortkomen. Vóór de stage hadden haar begeleiders uit Groningen en Parijs elkaar nog nooit ontmoet, en kenden elkaars naam slechts uit vakbladen. Inmiddels hebben zij over en weer gastcolleges gegeven, en zijn er gesprekken gaande tussen de directeuren van beide onderzoekscholen waar Sonja deel van uitmaakt om informatie uit te wisselen over managementvraagstukken. Dat was volgens Sonja niet gebeurd als zij er niet had gezeten.

Het is een grote wens van Sonja om eenzelfde promotietraject als Marcel te doorlopen. "Mijn internationale onderzoekservaring komt daarin voor werkgevers heel duidelijk tot uiting", aldus Sonja. "Naast het feit dat ik waardevol onderzoek heb uitgevoerd voor beide landen, heb ik ook beide nationale systemen waarbinnen het wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt goed leren kennen." Haar ervaring reikt tot buiten het wetenschappelijke veld, want "ik heb taal- en cultuurkennis opgebouwd en weet hoe ik beurzen en fondsen moet aanvragen," legt zij uit, "wat straks bij het werven van Europese of nationale subsidies heel goed van pas kan komen."

Bedrijfsleven of wetenschappelijke carrière, in Frankrijk of in Nederland: het lijkt Sonja allemaal wel wat. In ieder geval wil ze graag een brugfunctie tussen het Franse en Nederlandse wetenschappelijke onderzoek gaan vervullen. "Er zijn teveel interessante mogelijkheden tot samenwerking tussen beide landen onbenut", aldus Sonja. Momenteel begeleidt ze een Nederlandse studente die een onderzoeksstage in Parijs doet. Ze hoopt in Groningen ook studenten uit Frankrijk (en eventueel uit andere Europese landen) te kunnen begeleiden. "Op die manier kunnen ze ten volle meeprofiteren van de kansen die ik krijg in de Parijse en Groningse onderzoekswereld en daarbuiten," zegt ze. "Zelf heb ik het namelijk als een geweldige ervaring gezien."

Helaas is samenwerking tussen Frankrijk en Nederland in de promotiefase nog erg kleinschalig. Het FNN probeert dit te veranderen door meer en betere voorlichting en advisering te geven. Op de website van het FNN staat informatie over de onderzoekswereld in beide landen, maar ook over praktische zaken zoals beurzen of fondsen, procedures en huisvesting. Zo heeft de Franse Ambassade in Den Haag beurzen voor het eerste promotiejaar beschikbaar en kan een promovendus via het Franse Ministerie van Buitenlandse Zaken een tegemoetkoming in de extra kosten voor de co-tutelle de thèse aanvragen. Het Cité Universitaire in Parijs biedt huisvesting op maat voor korte en lange verblijven, zowel voor promovendi als voor postdocs.

Het FNN zet "pioniers" als Marcel en Sonja in als ambassadeurs voor de Frans-Nederlandse samenwerking in de promotiefase, en gebruikt hun kennis en ervaring voor advies aan promovendi met dezelfde belangstelling als zij. Omgekeerd helpt het FNN Marcel en Sonja bij hun ambities om de Frans-Nederlandse onderzoekssamenwerking verder uit te breiden. De studenten van Marcel krijgen structurele ondersteuning van het FNN tijdens hun onderzoek in Parijse ziekenhuizen. Ook gaat het FNN op korte termijn bilaterale ontmoetingen (zoals seminars en gastdocentschappen) bevorderen. "Een enorm leerzame uitdaging voor alle betrokkenen, en zeker ook voor mij," aldus Marcel, "Ik hoop me vanuit mijn huidige werk en met hulp van het FNN nog intensiever met deze Frans-Nederlandse wetenschapsas te gaan bemoei