Het Nederlandse promotiestelsel zal zich steeds meer in internationaal perspectief moeten bewijzen. Dat stelt de vereniging van universiteiten VSNU in de ' position paper', die ze tijdens de conferentie van de European University Association ( EUA) in Maastricht presenteerde. Daarom is het goed om helder te omschrijven aan welke eisen een promotie moet voldoen. Om diezelfde reden moet het volgens de VSNU ook mogelijk blijven dat promovendi als bursaal aan het werk gaan in plaats van als werknemer.

Chris Aalberts ? vice-voorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland ( PNN) ? is heel duidelijk. Volgens hem is er eigenlijk maar één probleem dat de VSNU wil oplossen met de voorstellen uit haar notitie 'Hora est': promovendi zijn te duur. "Dat vinden de universiteiten althans", zegt Aalberts. "Een paar jaar geleden zijn de salarissen voor promovendi flink omhoog gegaan, maar eigenlijk hebben ze dat geld er niet voor over. Daarom wordt nu toch weer de deur opengezet naar de invoering van een bursalenstelsel." Hij denkt dat de VSNU het tactisch aanpakt: "Het staat er nog voorzichtig, maar volgens mij is dat de bedoeling van dit stuk: alvast inmasseren dat er weer meer bursalen zullen worden aangesteld."

De VSNU doet dat met een verwijzing naar de internationale vergelijkbaarheid. Want ook in het buitenland krijgen promovendi vaak een beurs. "Maar die vergelijking gaat op vele punten mank", zegt Aalberts. "De VSNU stelt zelf dat de kwaliteit van het doctoraat hier hoger ligt dan in andere landen." En hoewel ze dat niveau ook wil behouden, zal "het opnieuw aanstellen van bursalen de kwaliteit echt niet ten goede komen," denkt hij.Verder vindt het PNN het stuk van de VSNU vooral erg vaag. Ideeën worden nauwelijks uitgewerkt en de echte problemen ? zoals het gegeven dat promovendi er zelden in slagen op tijd hun promotie af te ronden ? worden niet aangepakt.

Open Deuren

Inderdaad zijn veel gedachten in 'Hora est' nog niet uitgewerkt, geeft VSNU-woordvoerder Boukje Keijzer toe. "Dat moet in overleg met de betrokken partijen, zoals de vakbonden en het promovendi-netwerk." Maar zij bestrijdt dat de notitie daarom 'vaag' zou zijn: er worden wel degelijk stappen voorwaarts gezet. Zo heeft de werkgroep die de notitie geschreven heeft 'generieke eindtermen' opgesteld, eisen dus waaraan elke promovendus moet voldoen. Een promovendus moet onder meer "een oorspronkelijke bijdrage leveren aan wetenschappelijk onderzoek" en aangetoond hebben "zelfstandig de wetenschappelijke methoden van het vakgebied toe te kunnen passen". Daarnaast moet hij het vermogen hebben om "een omvangrijk project voor de ontwikkeling van nieuwe kennis te ontwerpen en te implementeren" en in staat zijn om "de maatschappelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het eigen onderzoek uit te dragen". Open deuren? Daar lijkt het misschien wel op, geeft Keijzer toe, maar tot nu toe waren deze algemene eisen nergens in Europa omschreven. En natuurlijk moeten zij per vakgebied verder uitgewerkt worden.

Een ander voorstel van de VSNU is om 'graduate schools' in te richten die verantwoordelijk worden voor onder meer de werving en selectie, opleiding en begeleiding van promovendi. De VSNU vindt namelijk dat die verantwoordelijkheden nu te diffuus verdeeld zijn tussen onderzoekscholen, onderzoeksinstituten en faculteiten. Maar hoe zo'n graduate school eruit gaat zien, houdt de VSNU in het vage, omdat "de internationale diversiteit op dit gebied een uitwerking van een model-graduate school noch mogelijk noch wenselijk maakt." De kwaliteit van het onderwijsprogramma en de begeleiding door zo'n graduate school moet in elk geval goed in de gaten gehouden worden. Daarom moeten onderzoeksvisitaties daar in de toekomst aandacht aan gaan besteden.

Met maatregelen in deze richting hoopt de VSNU in staat te zullen zijn om de internationale vergelijking te kunnen doorstaan. Want juist die vergelijking is een belangrijke aanleiding voor de notitie. Er is in Europa door de invoering van het bachelor-mastermodel al veel aandacht besteed aan de vergelijkbaarheid van het onderwijs; maar nu komt ook de 'derde cyclus' ? de promotie ? in beeld. Ook daarover wordt in Europees verband nu gestreefd naar internationale afspraken die de vergelijkbaarheid en de wederzijdse erkenning moeten bevorderen. De VSNU ontkent in elk geval dat het haar louter gaat om het goedkoper maken van het promotiestelsel. Keijzer: "Die passage over bursalen is niet meer dan één pagina in een veel groter geheel. Dus dat is nogal eenvoudig gedacht."

Gemeenschapsgeld

De VSNU hoopt dat haar voorstellen ? bijvoorbeeld die op het gebied van heldere eindtermen en het opzetten van graduate schools ? ook bijdragen aan een beter promotierendement. Maar daar gelooft het PNN niets van. Neem die graduate schools, die verschillen weinig van de huidige onderzoekscholen en zullen dus ook weinig betekenen voor de tijd die iemand aan zijn promotie werkt, vindt het netwerk.

Het PNN wil veel hardere maatregelen om het promotierendement te verbeteren. Er wordt "gemeenschapsgeld verspild" aan projecten die te laat of zelfs nooit worden afgerond en er wordt "menselijk kapitaal vernietigd". Dat schreef het netwerk in een brief aan minister Van der Hoeven vlak voordat de VSNU-notitie verscheen. "Universiteiten moeten zich simpelweg meer gaan inspannen om ervoor te zorgen dat een promotie binnen vier jaar kan worden afgerond", stelt het PNN. Het wil daarom dat de minister prestatie-afspraken maakt met de universiteiten op het gebied van promotierendementen. Laat een universiteit het erbij zitten, dan moet haar dat geld gaan kosten.

Overigens deed het PNN in zijn brief nog een paar aanbevelingen. Het wijst vooral op de gebrekkige carrièreperspectieven van jonge onderzoekers. Het ministerie wil dat verhelpen door meer promovendi te laten opleiden, maar dat is volgens het PNN niet verstandig. Het gaat er veel meer om pas gepromoveerden uitzicht te bieden op een vervolgloopbaan. Nu zijn pas gepromoveerden veelal aangewezen op de zogeheten Veni-subsidie, onderdeel van de Vernieuwingsimpuls van NWO. Maar dat biedt soelaas voor niet meer dan tachtig mensen per jaar. Verdubbel dus het budget van die Venieuwingsimpuls, zo luidt een aanbeveling van het PNN.

Om ook carrières buiten de wetenschap te bevorderen, pleit het PNN tenslotte voor een soort subsidie waarmee pas gepromoveerden kunnen werken aan de valorisatie, het te gelde maken van hun onderzoek. "Er blijft veel onderzoek op de plank liggen", licht Aalberts van het PNN toe. "Je zou je een subsidie kunnen voorstellen waarmee gepromoveerden aan de slag gaan om hun onderzoek te vertalen naar toepassing. Dat kan maatschappelijk of economisch nuttig zijn én het biedt gepromoveerden kansen voor een carrière op hun eigen niveau."